Brief 9

Back
Utrecht - Lhasa

Bulgaarse monnik in het Bachkovo klooster

Het begin van het einde

Fysiek zijn we bijna in Nederland, maar virtueel zijn we gebleven in het Midden-Oosten. Met het hoofd al in Nederland en na alle megabytes aan tekst die we in twee jaar geproduceerd hebben, is deze laatste brief een wat conventioneel 'en toen..en toen...' verslag van onze belevenissen in het Midden-Oosten en Europa.

De vorige nieuwsbrief kwam uit Syrie, uit de woestijn bij de mooie ruines van Palmyra. En uit de sneeuw, terwijl we verwachtten het eindelijk wat warmer te krijgen na alle winterverhalen. Gelukkig werd het na Palmyra allengs warmer. In de mooie en comfortabele stad Damascus was het T-shirtjes-weer. Je kunt er heerlijk door de straten en over de souqs (overdekte markten) lopen, en er is zelfs een terras waar, zij het geen koud biertje, maar wel thee wordt geserveerd. Dankzij een Nederlandse reizigster hebben we tevens het mooiste, lekkerste en goedkoopste restaurant van Damascus ontdekt. Het Jabri House is een prachtige oude Khan, dat vroeger functioneerde als hotel waar handelaren konden verblijven tijdens hun handelsmissies. Het hele gebouw is van binnen en buiten gedecoreerd met ingelegde steen, en de plafonds zijn van gedetailleerd houtsnijwerk. Het eten was typisch Syrisch: salades met olijven en citroensaus, kip gestoofd in yoghurt, brood met sauzen van aubergine en yoghurt en kikkererwten, en veel kebap.

We zijn lang in Syrie gebleven, bijna 4 weken. Het land heeft een eindeloze schat aan Romeinse steden, kastelen en andere ruines. Ik was wat sceptisch over dit eenzijdige aanbod van activiteiten in Syrie. Oude hopen steen gaan vast na een week vervelen, dacht ik. Dat bleek niet waar. De ruines van Syrie heb je vaak geheel voor jezelf zodat je je kan inbeelden dat je ze net ontdekt hebt. Er is zoveel van dat we de mooiste ruines gewoon maar tegenkwamen in het landschap, zonder ze in de reisgids te hebben opgezocht. Het zou saai worden om alle 48 sites die we bezocht hebben te beschrijven. Een paar hoogtepunten: Palmyra (en dan vooral het feit dat we bij wijze van spreken tussen de Romeinse zuilen konden kamperen), het geweldig grote kruisvaarderskasteel Krak des Chevaliers, de dode steden ten zuid-westen van Aleppo en het enorme amfitheater van Bosra.

In Bosra, de laatste stop voor Jordanie, hadden we het eindelijk warm: tegen de 30 graden was het plotseling! Van de weeromstuit besloten we door te rijden naar zuid-Jordanie, om in Aqaba een paar dagen aan het strand te liggen. Want daar zou het toch ook wel warm zijn, dachten we.

Zowel Syrie als Jordanie zijn niet zo groot, dus je kunt in een dagje naar het zuiden rijden. Het strand in Aqaba bleek niet zo heel idyllisch als we dachten maar de camping met bijbehordende bamboehutten en bedoeienententen was comfortabel. De zee in de golf van Aqaba (tegenover Egypte en naast Saudi-Arabie en Israel...) is prachtig blauw, met de koralen vlak aan het strand. Helaas gooide de enorme wind nogal wat roet in het eten: het was erg koud om te snorkelen en door de golfslag werden we bijna tegen de zee-egels aangespoeld. Niettemin hebben we lekker een weekje uitgerust en vissen gekeken.

Onze tijd in Jordanie bestond verder vooral uit het bezoeken van de standaard attracties van het land. Jordanie is bekend om de mooiste woestijn ter wereld in Wadi Rum, de ruines bij Petra, de Dode Zee en een aantal zogenaamde woestijnkastelen. Het gedeelte van Jordanie waar deze attracties zich bevinden is nogal dicht bevolkt en leent zich niet goed voor wildkamperen vonden wij. Behalve Wadi Rum uiteraard, een van de hoogtepunten van twee jaar reizen. De woestijn in dit gebied in zuid-Jordanie is zeer kleurrijk en de rotsformaties die alleen hier voorkomen zijn prachtig. We konden vrij rondrijden door het hele gebied en kamperen waar we wilden. Ondanks de kou hebben we elke avond en ochtend zonsondergang en zonsopkomst aanschouwd en ons overdag eindeloos uitgeleefd met de LandCruiser op de zandduinen en over de tracks. Onze eerste ervaring met rijden in de woestijn was een erg goede!

Des te groter was de schok van het enorme toerisme in Petra. De beroemde kloof die de ingang van het gebied met ruines markeert was verstopt door de busladingen bejaarde Duitsers. Op elk plekje, hoe afgelegen ook, stond een kraampje met souvenirs en het was onmogelijk de mensenmassa te ontvluchten. De lokale bevolking klaagde overigens tegen ons dat het toerisme nog maar een kwart bedroeg van de normale hoeveelheid, vanwege alle onrust in - voornamelijk de moslim - wereld.

Na het verplichte bad in de Dode Zee, inclusief starende locals die het prachtig vinden dat Westerse dames hier in badpak durven zwemmen, was het wel weer genoeg in Jordanie. Afgezien van Wadi Rum is er niet veel in het land waarvoor we er nog eens terug zouden komen. Onze zinnen waren nu gezet op Libanon!

Het hele gecompliceerde grensovergang-verhaal tussen Syrie en Libanon is inmiddels voldoende uitgemolken. Het belangrijkste is dat we Libanon bereikt hebben, zij het met rugzakken en niet met de auto. De eerste stop was meteen ook het hoogtepunt: de overblijfselen van de grootste Romeinse tempels ter wereld in Baalbek. De goede staat waarin de ruines verkeren, samen met de enorme afmetingen van de tempels en blokken steen die voor het bouwen ervan gebruikt zijn, maakten indruk. Gecombineerd met een aardig stadje en pension maakte dit een goede kennismaking met Libanon.

Helaas is het daarbij gebleven. Beiroet is wel een bijzondere, zij het wat saaie stad. Hoe men in vijftien jaar tijd de volledig verwoeste binnenstad heeft weten op te bouwen met een stijl die we eigenlijk alleen nog maar in Zuid Europa hebben gezien, is indrukwekkend. De rest van het land heeft niets te bieden wat zijn buren niet beter te bieden hebben. De Romeinse ruines stellen weinig voor, er zijn geen mooie stranden, de stadjes met souqs zijn klein en niet echt spectaculair (zelfs Tripoli niet) en de natuur is een lachertje vergeleken met Europa. Helaas. Na een dikke week wilden we graag weer terug naar Syrie om daar de laatste highlights, inclusief Aleppo, te bekijken.
En toen was het tijd om naar Turkije te gaan; het echte Begin van het Einde, terug naar Europa!

Alweer hadden we hoge verwachtingen van het 'nieuwe land': in Turkije zou het echt warm zijn, we zouden dagen aan het strand doorbrengen en nog een keer kunnen snorkelen. Helaas is het in april in Turkije nog geen 20 graden, en er viel nog aardig wat regen. We hebben wat mooie dagen doorgebracht in Antalya, dat 100% meeviel na alle spookverhalen over zwaar toerisme, en in Pamukkale en - toch nog - aan een prive-strandje op het schiereiland Gelibolu. Helaas liep ons visum ten einde en moesten we begin mei het onvermijdelijke onder ogen zien: de laatste maand in Europa was aangebroken.

Niet wetende wat te verwachten in Oost-Europa, en aanwijzingen volgend van overlanders die ons voor waren gegaan besloten we tijd te besteden in Bulgarije en Kroatie, en Bosnie en Servie snel te passeren. Bovendien werden we uitgenodigd door de Sloveense familie die we tijdens de rellen in Islamabad ontmoet hadden, dus de laatste week besloten we bij hun door te brengen.

Zoals altijd was het land waar we het minst van verwachtten een prettige verrassing: Bulgarije is mooi, er is veel te zien en het is comfortabel reizen door de lage prijzen en redelijke mogelijkheden voor (wild)kamperen. Servie en Bosnie zijn prachtig groen, maar hebben weinig cultureels te bieden en zijn (nog) niet klaar voor toerisme. Er zijn nog veel littekens van de oorlog te zien in de vorm van kapotgeschoten gebouwen en verse begraafplaatsen. Kroatie is daarentegen alweer geheel opgekrabbeld (en minder hard getroffen). Het toerisme bloeit, wat geen onverdeeld genoegen is. De campings zijn massaal en commercieel, en de toeristenprijzen zijn hoog. Ondanks dat is het een mooi land met prachtige oude stadjes zoals Trogir, Split en favoriet Dubrovnik.

Na deze laatste toeristische sprint blazen we uit bij Robert, Marjeta en hun drie kinderen in Ljubljana, de hoofdstad van Slovenie. We worden zeer hartelijk ontvangen en krijgen de beschikking over een kamer in hun appartement. Ze nemen ons mee naar de Juliaanse Alpen, een prachtig bergwandelgebied in het noorden tegen de Oostenrijkse grens, we bezoeken het ansichtkaart meer van Bled en we wandelen door de hoofdstad, die de voor ons vertrouwde uitstraling van Utrecht heeft. Terrasjes, restaurantjes en een aantal mooie gebouwen. We zijn echt weer terug in het Westen. Doordat Slovenie erg klein is (er wonen slechts twee miljoen mensen) lijkt het of onze gastheer- en vrouw iedereen kennen. Marjeta spreekt zelfs goed Nederlands en een aantal van haar kennissen ook. Er zijn geen grote cultuurverschillen meer en de mensen hebben een herkenbare westerse manier van doen. Alles is verkrijgbaar, en luxe is niet meer vreemd. Op deze manier wennen we rustig aan wat anderen vaak als een grote schok beschouwen wanneer ze na lange tijd weer in Nederland zijn. Als wij over een week weer in ons land aankomen schrikken we hopelijk niet meer van de overvloed, luxe, hoge prijzen, snelle levensstijl inclusief de mobiele telefoon en streng toegepaste verkeersregels.
We zullen zien waar we nog van opkijken.

Tot binnenkort!

Bastienne